Verspreiding
De Boomkikker is in Europa wijd verspreid en ontbreekt enkel in Ierland, Groot-Brittannië, Noorwegen, Finland en het grootste deel van Zweden. Zijn noordelijke verspreidingsgrens wordt bepaald door de 16°C juli-isotherm. Op het Iberisch schiereiland leeft de Boomkikker enkel in het noorden en het westen. De ondersoorten sarda en intermedia worden nu als aparte soorten beschouwd zodat de zuidgrens van het areaal naar het oosten toe nu over het zuiden van Zwitserland en mogelijks ook Slovenië loopt, verder oostwaarts tot Griekenland en sommige Griekse eilanden, Wit-Rusland, de Oekraïne en de Kaukasus (Frost, 2004).In het noorden van zijn verspreidingsgebied is de Boomkikker een laagland soort maar in het zuiden (Bulgarije) leeft hij tot op 2300m hoogte. Het grootste deel van het verspreidingsgebied wordt door de nominaatvorm bezet. De andere ondersoorten komen voor op Kreta, het Iberisch schiereiland en mogelijk ook in Zuidwest-Frankrijk. De populaties op Kreta zijn worden door sommige taxonomen nu ook als een aparte soort beschouwd.
De Boomkikker is over grote delen van zijn verspreidingsgebied een bedreigde soort en een achteruitgang van de populaties is nagenoeg in alle landen vast te stellen. Hij lijdt onder ander door het verlies van geschikte voortplantingsbiotopen, habitatfragmentatie, collectie door de mens en als gevolg van pollutie. De voornaamste oorzaak van achteruitgang is het intensief landgebruik in land- en bosbouw zoals drainering en landherinrichting.
Uit Wallonië zijn geen recente waarnemingen meer bekend en in Vlaanderen is de boomkikker erg zeldzaam en beperkt tot enkele streken: in de randzone van duinen en polders (Zwin) van Knokke-Heist, in de alluviale vlakte van de Maas en in en nabij het vijvercomplex van Midden-Limburg, waar de belangrijkste concentratie van ons land leeft. De populaties in de Antwerpse Kempen (Rijkevorsel, Brecht, Westmalle, Beerse, Vosselaar, Turnhout en Merksplas) en in het noordwesten van Oost-Vlaanderen (Sint-Laureins) zijn verloren gegaan. In Frankrijk komt hij voor tot in de departementen Nord en Pas-de-Calais. Er zijn uit het recente verleden op diverse plaatsen in Vlaanderen een aantal geïsoleerde waarnemingen bekend die meer dan waarschijnlijk wijzen op uitgezette exemplaren (o.a. enkele jaren in een villawijk te Oostkamp, med. E. Dewaele).
De populatie van het Zwin is een restant van een vroeger veel ruimere verspreiding langs o.a. kreken, dijken en vestingwallen in de hele grensstreek tot en met het Meetjesland en Zeeuws-Vlaanderen (Bauwens & Claus, 1996). Door versnippering van de biotopen is er echter geen rechtstreeks contact meer mogelijk tussen de populaties aan beide landsgrenzen (Goddeeris et al. , 2001). Een Vlaams soortenbeschermingsplan bestaat al sinds 1996 (Vervoort & Goddeeris, 1996). Het is al gedeeltelijk in praktijk gebracht door o.a. AMINAL afdeling Natuur en het provinciebestuur van West-Vlaanderen, maar verdere acties zijn zeker noodzakelijk om deze charismatische soort in dit deel van Vlaanderen te behouden. Door actief biotoopherstel in de jaren \'90 is de Nederlandse populatie boomkikkers vlak over de grens in westelijk Zeeuws-Vlaanderen sterk toegenomen (enkele honderden dieren in totaal), hoewel nog niet helemaal veilig door versnippering van biotopen (med. T. Vermeersch).
Acties moeten grensoverschrijdend gevoerd worden om de deelpopulaties terug in contact te brengen met elkaar. Die acties moeten bestaan uit de aanleg van nieuwe geschikte voortplantingspoelen mét leefgebied rondom, corridors met struiken, ruigte en/of braamstruweel en poelen die als tijdelijke stapsteen kunnen gebruikt worden. Delen van de stadswallen van Damme voldoen na herstelbeheer waarschijnlijk aan de biotoopeisen van de Boomkikker, alleen kunnen de dieren er voorlopig nog niet op eigen kracht geraken omdat de corridors nog niet af zijn.
Leefgebied
Boomkikkers leven in zonbeschenen vegetaties met veel bloeiende struiken zoals houtwallen en bosranden en in de overgangszone tussen waterpartijen en aangrenzend struikgewas. Ook in tuinen en stadsparken komen ze wel eens voor. Ze overwinteren tussen boomwortels, in een strooisellaag of tussen houtstapels. De mannetjes houden zich in het voorjaar tot in het begin van de zomer vooral op in en rond het water. In deze periode zitten ze vaak op de grond terwijl ze later meestal in bomen en struiken gaan leven, vaak zelfs tot op een hoogte van 10m.Als voortplantingsplaats kiezen ze door de zon beschenen waterpartijen met een brede, ondiepe oeverzone en een rijke watervegetatie en verticale vegetatie van waterranonkel, waterviolier, hoornblad en waterpest, waterweegbree en russen. De grootte van de waterpartij is van minder belang, wel moet ze volledig door de zon beschenen zijn.


